Eenmanszaak of B.V.?

Inleiding

Met dit artikel willen we ondernemers informatie verschaffen over twee hoofdvormen waarin een onderneming kan worden gedreven: de eenmanszaak en de B.V., en de keuze tussen beiden. Daar bestaan namelijk nogal misverstanden over. Deze informatie kan van pas komen bij de start van een onderneming, maar ook als een ondernemer tijdens het bestaan van de onderneming stil wil staan bij vraag of de ooit gekozen rechtsvorm (nog) de juiste is.

Hierna beschrijf ik voor de eenmanszaak en de B.V. de belangrijkste fiscale en juridische aspecten met als doel te helpen bij de afweging ‘eenmanszaak of B.V.’?

De eenmanszaak

Juridische aspecten

Wanneer iemand voor eigen rekening en risico een onderneming drijft, is er sprake van een eenmanszaak. Deze rechtsvorm maakt geen onderscheid tussen privé-vermogen en ondernemingsvermogen. Hieruit volgt dat winsten direct aan de ondernemer ten goede komen, maar ook dat de ondernemer als persoon volledig aansprakelijk is voor schulden van de onderneming. In het ergste geval kan een zakelijke schuldeiser zijn vordering verhalen op het privé-vermogen van de ondernemer, bijvoorbeeld de woning. Dit is de reden dat veel ondernemers zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden en het huis ‘op naam’ van de niet-ondernemende huwelijkspartner staat. Het voorgaande – privé-aansprakelijkheid – geldt eveneens voor ondernemers die samen met één of meer firmanten werkzaam zijn in een vennootschap onder firma (v.o.f.). Ook een maat in een maatschap kan in privé aansprakelijk worden gesteld, doch hierbij gelden enkele afwijkingen waarop ik in dit kader niet verder zal ingaan.

Fiscale aspecten

Over de winst die de ondernemer behaalt met de onderneming is inkomstenbelasting verschuldigd. De verschuldigde inkomstenbelasting wordt berekend aan de hand van de bekende tariefschijven (2018: Box 1; oplopend van 36,55% tot 52% vanaf een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.507). Alvorens de verschuldigde belasting over de winst te berekenen kan de ondernemer op de winst een bedrag in aftrek brengen voor zijn oudedagsvoorziening (oudedagsreserve voor ondernemers: ook wel bekend als ‘FOR’) en vanwege het feit dat hij ondernemer is (de ondernemersfaciliteiten zoals zelfstandigenaftrek, meewerkaftrek, stakingsaftrek) . Voorts kan gebruik worden gemaakt van de MKB-winstvrijstelling. Deze biedt ondernemers een vrijstelling ter grootte van 14% van de winst. Anders gezegd: het maximale tarief inkomstenbelasting 2018 van de ondernemer daalt daarmee van 52% naar 44,7%.

Het voorgaande geldt eveneens voor ondernemers die samen met één of meer firmanten of maten een vennootschap onder firma of maatschap drijven.

De B.V. (Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid)

Juridische aspecten

Een andere rechtsvorm waarin de onderneming kan worden ondergebracht is de Besloten Vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, kortweg ‘B.V.’. Het vermogen van de B.V. is verdeeld in aandelen die bij oprichting aan de oprichter(s) worden uitgereikt . Elk aandeel geeft de houder daarvan (aandeelhouder) normaliter recht op inspraak (stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders) en een deel van de winst (dividend). Een B.V. is een rechtspersoon. Dit betekent dat de B.V. los van haar aandeelhouders rechten en verplichtingen kan aangaan en daarvoor, behoudens enkele uitzonderingen die gelden voor bestuurders, zelf aansprakelijk is. Schuldeisers kunnen hun vordering in principe dan ook slechts verhalen op de B.V. zelf. Een aandeelhouder loopt daardoor het risico dat zijn aandelen niets meer waard zijn, maar het privé-vermogen blijft buiten schot . Voor het oprichten van een B.V. is het al enige tijd niet meer nodig een bedrag van tenminste € 18.000 als kapitaal te storten.

Fiscale aspecten

Belasting van de winst van een onderneming in de vorm van een B.V. vindt plaats in drie etappes.

Allereerst krijgt ‘de ondernemer’ als directeur een salaris dat belast is met loon/inkomstenbelasting. Aan de hoogte van dit salaris zijn minimumeisen gesteld.

De winst na aftrek van het salaris van de directeur wordt belast met vennootschapsbelasting. Het tarief (2020) bedraagt 16,5% over de eerste € 200.000 en daarboven 25%. Dit tarief zal de komende jaren worden verlaagd.

De winst die na de heffing van vennootschapsbelasting resteert, kan (op een zelf te kiezen moment) worden uitgekeerd aan de aandeelhouder. Over deze winstuitkering is 26,26% (2020) inkomstenbelasting verschuldigd (Box 2). Vanaf 2021 bedraagt dit tarief 26,9%.

De gezamenlijke druk van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting over de winst (na aftrek van de directeursbeloning) bedraagt – afhankelijk van de hoogte van de winst – 38,4% (bij 16,5% vennootschapsbelasting) tot maximaal 44,7% (bij 25% vennootschapsbelasting).

Andere mogelijkheden die de rechtsvorm B.V. biedt

  • Het – bij overgang naar de B.V. – vormen van een lijfrentevoorziening bij de eigen B.V. Dit kan de kosten van een verzekeringsmaatschappij buiten de deur houden en biedt liquiditeitsvoordeel.
  • Optimaliseren van de beleggingsstrategie B.V.-privé.
  • Het oversluiten van de hypotheek bij de bank door middel van lenen bij de B.V.
  • Mogelijkheid tot gebruikmaking van de ‘deelnemingsvrijstelling’, op basis waarvan de winst bij verkoop van een dochter-B.V. (mits juist gestructureerd) vrij van vennootschapsbelasting kan blijven.
  • Het veiligstellen van winsten in een holding-B.V. (ook wel ‘Beheer-B.V.’ genoemd). Ook dit geldt slechts bij een juiste structurering.
  • Diverse mogelijkheden tot het vormgeven van samenwerkingsverbanden.

Vergelijking eenmanszaak-B.V.

De verschillen tussen de B.V. en de eenmanszaak betreffen in hoofdzaak aansprakelijkheid en belastingdruk. Bij een keuze voor de B.V. bestaan betere mogelijkheden voor  afscherming van het privé-vermogen dan bij de eenmanszaak. Dit kan in gevallen waarin de aansprakelijkheidsrisico’s niet goed zijn af te dekken door middel van algemene voorwaarden en/of een aansprakelijkheidsverzekering reden zijn om te kiezen voor de B.V. Bij vergelijking van de belastingdruk bij een keuze voor eenmanszaak of B.V. blijkt dat pas bij hoge winsten de B.V. fiscaal voordeliger is. Pas dan wordt het gemis van de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling ingehaald door de lagere belastingdruk en het feit dat over de winsten van de B.V. na heffing van vennootschapsbelasting niet direct de aanvullende 26,25% inkomstenbelasting is verschuldigd (maar pas over het jaar waarin gekozen is voor een dividenduitkering).  Bijvoorbeeld: Een 40-jarige ondernemer is in staat een winst te behalen van € 75.000 per jaar. Bij de berekeningen wordt geen rekening gehouden met de eigen woning en overig arbeidsinkomen. Bij de berekening van de winst van de eenmanszaak is gebruik gemaakt van de oudedagsreserve voor ondernemers. Bij de berekening voor de B.V. is geen rekening gehouden met opbouw van pensioen in eigen beheer (vervallen in 2017), maar wel met een inleg in een lijfrentespaarrekening/ lijfrentebeleggingsrekening van € 7.000 (waarvan € 5.000 jaarruimte en € 2.000 veronderstelde reserveringsruimte).

 

Eenmanszaak

Winst                                                               75.000

Af: zelfstandigenaftrek                                 –   7.030

Af: oudedagsreserve                                    –   7.080

Af: MKB-winstvrijstelling (14%)                    –   8.525

Belastbare winst (Box 1)                                 52.365

 

Inkomstenbelasting+premie Zvw 2020           19.653

Latente inkomstenbelasting (i.v.m. FOR)           1.539

Totale belastingdruk ‘eenmanszaak’           21.192

 

B.V.

Winst                                                                75.000

Af: directeursbeloning                                   –  50.000

Winst (na aftrek loon en pensioen)                  25.000

Vennootschapsbelasting 2020                          4.125

 

Inkomstenbelasting+premie Zvw 2020            17.430

Latente inkomstenbel. (over een met 10 jaar

uitgesteld dividend en over lijfrente)                 6.128

Totale belastingdruk ‘B.V.’                             24.672

In dit voorbeeld biedt de eenmanszaak de ondernemer een lagere belastingdruk. Over het belastingjaar zelf heeft de B.V. een belastingdruk die € 1.110 lager ligt dan van de eenmanszaak, maar met toekomstige fiscale claims op oudedagsreserve / lijfrente / dividend meegerekend blijkt de eenmanszaak € 3.479 (netto) voordeliger uit te vallen. Zonder bijkomende argumenten, zoals aansprakelijkheidsbeperking of de verwachting dat de onderneming verkoopbaar is en ooit voor veel geld zal worden verkocht – is in dit voorbeeld de rechtsvorm eenmanszaak fiscaal de voordeligste keuze. Dit kan in een ander jaar, bij andere omstandigheden en andere getallen uiteraard anders zijn.

De vraag vanaf welke winst de B.V. fiscaal voordeliger wordt (omslagpunt) hangt mede af van aftrekposten in privé (hypotheekrente, arbeidsongeschiktheidsverzekering, etc.) en kan dus voor iedere ondernemer weer anders zijn. Bij een keuze dient tevens rekening te worden gehouden met de hogere jaarlijkse kosten die een B.V. heeft zoals de kosten van de salarisadministratie voor de directeur-eigenaar, aangifte vennootschapsbelasting, opmaken publicatiestukken KvK. Daarmee is in bovenstaand rekenvoorbeeld nog geen rekening gehouden.

Conclusie

Uit overwegingen van aansprakelijkheidsbeperking kan de B.V. voordelen bieden boven de eenmanszaak. Voor wat betreft de belastingdruk verdient de eenmanszaak tot een zeker winstniveau de voorkeur. Indien zeer hoge winsten worden behaald (omslagpunt wanneer rekening wordt gehouden met latente belasting over dividend/pensioen veelal niet beneden een winst van € 150.000) wordt een B.V. ‘fiscaal’ voordelig. Hierbij spelen ook zaken als pensioen een rol (oudedagsreserve voor de ondernemer en pensioen in eigen beheer voor de DGA) en de vraag of de onderneming in de toekomst verkoopbaar is. Onderzoek (EIM.net) wijst uit dat het imago van de B.V. eveneens een rol speelt bij de rechtsvormkeuze.

Wanneer de keuze is gevallen op de B.V. volgt de vraag naar de juiste ‘structuur’: één B.V., een holding met een werkmaatschappij, etc. Het gaat het kader van dit artikel te buiten om hier verder op in te gaan. Indien u thans onderneemt vanuit een B.V. kan het zijn dat de B.V. niet meer de meest geschikte rechtsvorm is. Dat kan bijvoorbeeld liggen in een gewijzigd risicoprofiel van de onderneming of in het feit dat de B.V. (binnen de fiscale wetgeving anno 2020) fiscaal niet meer past. Er zijn verschillende mogelijkheden om zonder al teveel ‘kleerscheuren’ een terugkeer uit de B.V. te realiseren en uw onderneming (weer) als eenmanszaak of vennootschap onder firma / maatschap te gaan drijven (eventueel zelfs naast uw B.V.). Dan komen uiteraard de hiervoor behandelde ondernemersfaciliteiten weer in beeld.

Uiteraard is bovenstaand overzicht niet uitputtend. De beantwoording van de vraag ‘B.V. ja of nee’ is niet eenvoudig en per situatie weer anders. Bedoeld is u een eerste indruk te hebben gegeven van de afweging ‘eenmanszaak of B.V.‘. Indien u vragen heeft of eens over het bovenstaande van gedachten wilt wisselen kunt u contact opnemen met Erik van Kan of Jon Hulst (tel. 015-2136746 of via het contactformulier).

Welke uitgaven zijn aftrekbaar als bedrijfskosten?

Welke kosten zijn aftrekbaar van de winst van uw onderneming?

Inleiding

Welke kosten zijn aftrekbaar van de winst van uw onderneming? Een vraag die bij veel ondernemers wel eens opkomt is welke kosten wel aftrekbaar zijn binnen de onderneming en welke niet. Het is zonde om wat dat betreft kansen te missen! Kosten die aftrekbaar zijn verlagen immers de belastbare winst en daarmee de verschuldigde belasting. Wie wil er nu teveel betalen …? 

Wat is de afweging die de boekhouder maakt c.q. zou moeten maken als hij uw administratie aan het verwerken is en hij de factuur van uw derde iPad en alweer uw tweede nieuwe laptop dit jaar tegenkomt, alsmede de maandelijkse facturen van de kosten voor de abonnementen van drie mobiele telefoonnummers? Om nog maar niet te spreken over de Belastingdienst, die bij u een boekenonderzoek zou kunnen instellen. 

De regels zijn voor ondernemers die werken vanuit een B.V., met uitzonderingen, grosso modo hetzelfde als voor ondernemers in de inkomstenbelasting. In het navolgende laat ik de renteaftrekbeperkingen die bij B.V.’s e.d. gelden buiten beschouwing, evenals de problematiek van onzakelijke geldleningen.

Aftrekbare kosten

Uitgaven die zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van de onderneming kunnen (ineens dan wel via afschrijving) ten laste van het resultaat worden gebracht! Oftewel, de kosten moeten hun oorzaak vinden in de ondernemingsactiviteiten om aftrekbaar te zijn. Daarbij geldt dat de Belastingdienst niet op de stoel van de ondernemer mag gaan zitten en zich dus niet mag te bemoeien met de afweging of een uitgave nuttig / nodig is en of het goedkoper had gekund. Dat bepaalt de ondernemer zelf! 

Daarmee zou dit artikel eigenlijk eindigen, ware het niet dat er enkele beperkingen en nuances zijn die voortvloeien uit rechtspraak en wetgeving.

Toetsing

De al dan niet zakelijke bedoelingen van de ondernemer zijn dus bepalend voor de aftrekbaarheid van een uitgave. Dat is echter anders als er een zodanige wanverhouding bestaat tussen een uitgave en het nut daarvan dat geen weldenkend ondernemer vol kan houden dat deze is gedaan in het zakelijke belang van de onderneming. Een bekend voorbeeld is de medisch specialist die een vliegtuig (Cessna) aanschafte om patiënten in het buitenland te kunnen bezoeken. Dat vond de belastingrechter te ver gaan. Van de totale kosten van het vliegtuig werd daarom slechts een deel, corresponderend met het veronderstelde zakelijke nut, in aftrek toegestaan. Andere bekende voorbeelden uit de fiscale rechtspraak zijn het wagenpark-arrest (ook wel bekend als het Bentley-arrest; de eigenaar hield nogal van exclusieve auto’s en had er daarvan meer dan 40 op de zaak aangeschaft…), het renpaarden-arrest (uitzenbureau heeft twee renpaarden, promotiekosten / hobby?), en het kart-arrest (kart-team van de zoon van de ondernemer).

Zakelijk of privé?

De Belastingdienst mag wel de aard van de uitgaven beoordelen: wordt met de uitgave een zakelijk doel nagestreefd of gaat het om privé-aangelegenheden van de ondernemer? Voor zover uitgaven worden gedaan voor privé-doeleinden zijn ze niet aftrekbaar. Soms moet dus een splitsing zakelijk-privé worden gemaakt. Deze beoordeling kan tot discussie met de fiscus leiden, waarbij deze soms via een omweg toch probeert het nut en de noodzaak aan de orde te stellen. Een voorbeeld uit de rechtspraak ging over een advocaat die een poloteam sponsorde. De rechter oordeelde dat een deel van de kosten voortkwam uit ‘persoonlijke affiniteit’ met de sport, en schrapte in zoverre de aftrek.

Wees dan ook niet verbaast als bij een boekenonderzoek door de Belastingdienst vragen worden gesteld over bonnetjes van ‘zakendiners’ waar steevast 4 fristi’s, 4 appelsap en twee kindermenu’s op staan of die plaatsvinden op zondagavond of op de verjaardag van u, uw echtgenoot en uw twee kinderen. Dan heeft u iets uit te leggen en zult u aannemelijk moeten maken dat u daar echt ‘zakelijk’ was. 

Worden de kosten geschrapt bij een eenmanszaak of een andere onderneming binnen de inkomstenbelasting, dan vervalt de aftrek. Bij een B.V. zullen de geschrapte kosten in zoverre veelal gelden als verkapte dividenduitkering aan de directeur-grootaandeelhouder (DGA) of moeten ze aan de B.V. worden terugbetaald (“rekening-courant”).

Wettelijk verbod of beperking kostenaftrek

Er zijn wettelijke beperkingen gesteld aan de aftrek van kosten, zelfs als het kosten zijn die onmiskenbaar zijn gedaan in het belang van het bedrijf.
 
Voor bepaalde categorieën geldt dat de kosten en lasten in het geheel niet aftrekbaar zijn. Ik noem de kosten voor:

  • standsuitgaven (gedaan ten behoeve van persoonlijk aanzien).
  • vaartuigen die worden gebruikt voor representatieve doeleinden.
  • geldboeten (bijv. opgelegd door de strafrechter, of verkeersboeten).
  • kosten in het kader van misdrijven, en voor wapens + munitie en agressieve dieren.
  • giften/beloften/diensten in het kader van omkoping (steekpenningen).

Daarnaast zijn er kosten waarvoor beperkingen aan de aftrek gelden, waardoor ze geheel of gedeeltelijk niet in aftrek kunnen worden gebracht. Ik noem:

  • gemengde kosten, dus kosten met een privé-component: voedsel / drank / genotmiddelen, representatiekosten (bijvoorbeeld recepties, personeelsfeestje, vermaak e.d.), congressen/ seminars/ excursies (waarin begrepen de reiskosten de verblijfkosten). Deze kosten komen in 2020 tot een bedrag van € 4.700 (drempel) niet in aftrek. Er kan echter worden gekozen om in plaats daarvan 20% (inkomstenbelasting-ondernemers) / 26,5% (ondernemers vennootschapsbelasting, zoals B.V.’s) van de uitgaven niet in aftrek te brengen. Bij B.V.’s e.d. geldt bovendien dat de drempel van € 4.700 wordt verhoogd tot 0,4% van de loonsom, als dat hoger uitkomt.
  • reiskosten met privé-vervoermiddel (zoals de privé-auto of fiets): aftrekbaar is maximaal € 0,19 per zakelijke kilometer.
  • de kosten in verband met een werkruimte in de privé-woning van de ondernemer. Onder voorwaarden is wel, met beperkingen, aftrek mogelijk voor een werkruimte als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan.
  • kosten ten behoeve van de ondernemer zelf, zoals kleding (uitgezonderd echte werkkleding) en persoonlijke verzorging.

Samenvatting

De hoofdregel is helder: uitgaven in het kader van de onderneming zijn aftrekbaar! De ondernemer is vrij in zijn afweging, maar wordt daarin begrensd door de redelijkheid (de weldenkende ondernemer). Een ondernemer doet er goed aan de zakelijkheid desgevraagd te kunnen onderbouwen. Voorts zijn er wettelijke beperkingen aan de aftrek van kosten. Zie ter illustratie dit overzicht van de Belastingdienst.

Is uw interesse voor dit onderwerp gewekt? Neem dan contact op met Erik van Kan / Jon Hulst of uw contactpersoon binnen ons kantoor (telefonisch op 015-2136746 of door middel van het contactformulier).